3.5 Filosofie over de gulden

De Duitse filosoof en socioloog Georg Simmel heeft een boek geschreven, ‘Philosophie des Geldes’ (1900), dat ruim 110 jaar geleden is verschenen maar waaruit nog steeds veel van toepassing is in de huidige tijd. Hij beschrijft de moderne samenleving en koppelt deze aan geld. Zo stelt hij dat in op tal van levensgebieden het accent verschoven is van substantie naar functie, van kwaliteit naar kwantiteit en van doel naar middel. 19 Deze verschuivingen kunnen we koppelen aan de ontwerpen van Oxenaar:

 
 

Substantie naar functie

Dit houdt in dat de betekenis van materie steeds verder daalt. Geld komt steeds meer tot zijn eigenlijke doel, namelijk een ruilmiddel te zijn. ‘Hoe abstracter dit ruilmiddel is, hoe minder het zelf een sta in de weg is bij transacties of ruilrelaties, hoe beter het zijn functie kan vervullen.’ 20 Dit houdt dus in dat wij ons zo weinig mogelijk emotioneel verbinden met het geld als materie. In dat geval zou juist het ontwerp van de biljetten totaal niet vernieuwend moeten zijn en zouden we er geen mening (en al helemaal geen bijzonder positieve gevoelens) over moeten hebben. Dit is dus voor veel mensen wel het geval met de guldenbiljetten van Oxenaar. Hij heeft ervoor gezorgd dat de mensen het geld op zichzelf gingen waarderen. Mede met hele typerende figuratieve afbeeldingen wordt dit veroorzaakt.

Bij de serie van Drupsteen is dit minder het geval. Hierin worden helemaal geen figuratieve afbeeldingen gebruikt maar juist hele abstracte. Doordat deze afbeeldingen niet te herleiden zijn naar iets uit de werkelijkheid (de biljetten hebben ook geen naam, zoals bij Oxenaar wel het geval is) raakt ons dit minder snel op het emotionele vlak. Zo stelt Arjen Mulder in z’n boek ‘Over mediatheorie’ dat de dingen die wij waarnemen niet zozeer dingen zijn maar meer emotionele response van die dingen. We nemen de dingen zelf niet waar maar de onderlinge verbanden en wisselwerkingen tussen ons en de dingen. Ook schrijft hij dat elke waarneming die wij doen berusten op ervaring. Alles wat wij ervaren door dingen te zien komt door ervaringen die we in ons leven hebben opgebouwd. 21 De abstracte vormen van Drupsteen kunnen wij niet herleiden naar iets wat we al kennen en roepen daarom ook geen ervaringen op.
 
 

Kwaliteit naar kwantiteit

Deze verschuiving loopt gelijk met die van substantie naar functie. In de natuurwetenschap is deze verschuiving ook aan de hand, de term ‘meten is weten’ zegt het al. Pas wanneer het kwantitatief is uit te drukken, is het aannemelijk. Volgens Simmel symboliseert geld deze verschuiving erg goed. ‘Geld nivelleert de kwalitatieve verschillen tussen de dingen door deze te reduceren tot kwantiteitsverschillen: hoeveel meer of minder waard ze zijn. Ook de waarde van het geld zelf wordt afgemeten aan zijn kwantiteit, want de eerste en belangrijkste associatie die mensen hebben als het om geld gaat, is toch zeker de vraag: hoeveel geld?’ 22 We waarderen dus producten en diensten, maar ook het geld zelf, meer op de kwantitatieve waarde van geld en minder op hun eigen waarde. In tegenstelling tot de voorgaande verschuiving, vindt deze verschuiving deels wel plaats met de ontwerpen van Oxenaar. Wanneer de biljetten van dusdanig goede vormgeving zijn voorzien stellen we het geld boven de producten en diensten en gaan we dat meer beoordelen op de kwantitatieve waarde van geld. Toch wordt de waarde van geld, zoals Simmel het stelt, wellicht meer op z’n eigen waarde gewaardeerd dan op kwantitatieve waarde. Dus de verschuiving naar kwantitatieve waardering voor producten en diensten stijgt maar die van geld daalt, deze zal meer op kwaliteit worden gewaardeerd. Bij de ontwerpen van Drupsteen is er minder kwantitatieve waardering voor producten maar juist een kwalitatieve waardering, omdat zijn serie ons emotioneel niet veel doet. Hij heeft kwantitatieve waarde juist op geld toegepast, de biljetten zijn voorzien van hetzelfde aantal blokken als de waarde van het biljet.
 
 

Middel tot doel

Volgens Simmel maakt een op de geldeconomie gebaseerde samenleving goed merk- en zichtbaar hoe zeer geld, het ultieme middel, voor velen doel op zich geworden is. 23 Net als bij de verschuiving kwaliteit-naar-kwantiteit zorgt goede vormgeving ervoor dat dit juist wordt bevorderd. Geld zal sneller een doel op zich zijn als het een vorm heeft die bij ons ervaringen en emotie oproept dan wanneer het een niet-definieerbare vorm is. De biljetten van Oxenaar roepen veel ervaringen en emotie op en zorgen daarom dat we het meer gaan waarderen en daardoor meer als doel gaan zien.

Ook weer bij deze verschuiving zijn de ontwerpen van Drupsteen juist het tegenovergestelde van die van Oxenaar. Met deze ontwerpen wordt juist geld weer gezien als een middel. Zijn ontwerpen met de nodige aanduidingen van kwantitatieve waarde laten zien dat geld een middel is om ergens waarde aan toe te kennen. Of zoals ook Simmel het stelt: ‘Objecten hebben een economische waarde nodig indien ze niet op zichzelf beoordeelt kunnen worden maar vergeleken moet worden met waar andere objecten voor geruild kunnen worden.’ En zo zegt ook dhr. Poggi, professor aan de University of Trento en schrijver van het boek Money and the Modern Mind. Hij stelt ‘Geld is kwantitatief in z’n essentie. Als we met geld te maken hebben zeggen we niet hoe en wat? Maar hoeveel?’. 24
 
 

Manieren van omgaan met geld

In zijn boek ‘Philosophie des Geldes’ maakt Simmel onderscheid tussen zes manier van omgaan met geld. Deze theorie is gebaseerd op de fasen van geld verwerven, bezitten, uitgeven en van het gekochte genieten. Simmel noemt dit de teleologische reeks van het geld. Deze zes verschillende typen zijn als volgt:

Type 1: de hebzuchtige
De hebzuchtige geeft alleen om het zoveel mogelijk verkrijgen van geld. Dat is voor hem veel belangrijker dan wat er met dat geld gedaan kan worden. Dit is precies het tegenovergestelde van wat er gebeurt bij de verschuiving van middel naar doel, zoals hiervoor beschreven.

Type 2: de gierigaard
De gierigaard gaat nog een stuk verder dan de hebzuchtige. Dit type geeft nog meer om het geld opzich. Bij beide typen is het zo dat ze abstract genieten van de vorm van geld verkrijgen en bezitten. Geld is voor hun geen middel om dingen mee te kopen.

Type 3: de verkwister
Bij de verkwister draait het allemaal om het uitgeven van geld. Wel heeft hij met de hebzuchtige en de gierigaard gelijk dat het hem niet interesseert waaraan hij het geld kan uitgeven. De voldoening haalt dit type uit alleen het verwerven, bezitten en uitgeven van geld, niet uit de producten of diensten die hij hiervoor in ruil krijgt.

Type 4: de asceet
De asceet is een type dat helemaal niet geeft om geld en ook niet wat je ermee kunt kopen, beide interesseren hem niet. Dit type kiest vrijwillig voor armoede. De overeenkomst met de verkwister is dat ze beide niet genieten van hun geldbesteding.

Type 5: de cynicus
Dit type waardeert alles en iedereen op de kwantitatieve waarde van geld. Hij weet dat alles te koop is en ook voor welke prijs. Hij kan wel van het gekochte genieten, maar het gekochte vertegenwoordigt alleen voor hem geen bijzondere waarde en het is zeker niet een voorwaarde om ergens van te genieten.

Type 6: de relativist
De relativist komt helemaal niet meer toe aan genieten. Hij is ongevoelig geworden voor geld krijgen, bezitten en uitgeven want hij heeft dit al te veel gedaan.
25
 
 

Welke biljetten passen bij welke typen?

Bij elke type is de waardering voor geld of wat je ermee kunt kopen anders. De vormgeving van het geld speelt hierbij waarschijnlijk een rol. Bijvoorbeeld hoe persoonlijker de vormgeving van een biljet hoe meer je het geld op zich zelf gaat waarderen, zoals bij de hebzuchtige of gierigaard. De vormgeving van de biljetten van Oxenaar en Drupsteen liggen nogal ver uit elkaar. De biljetten van Oxenaar zijn figuratief en herkenbaar, de biljetten van Drupsteen zijn juist abstract en laten niets van een herkenbaar object zien. Je zou kunnen stellen dat bij de hebzuchtige en de gierigaard de biljetten van Oxenaar goed passen. Zij waarderen het geld meer dan de dingen die ze ervoor kunnen kopen. De verkwister en de asceet zouden meer passen bij de biljetten van Drupsteen. De verkwister wil zo weinig mogelijk emotioneel verbonden raken met z’n geld en wil het zoveel mogelijk uitgeven. De asceet geeft niets om geld (of wat je ervan kunt kopen) en het zou hem dus ook niet veel moeten doen. Bij de cynicus zouden beide biljetten wel passen. De biljetten van Oxenaar omdat deze sneller het geld boven de dingen die je ermee kunt kopen stelt. Hierdoor ga je de dingen sneller op de kwantitatieve waarde van geld beoordelen. De biljetten van Drupsteen zijn juist voorzien van vormgeving waarin die kwantitatieve waarde helemaal is verwerkt. Beide zouden dus voor dit type kunnen werken. Bij het laatste type, de relativist, zou geen enkele biljetreeks meer werken aangezien hij al zoveel heeft uitgegeven dat het hem sowieso weinig meer doet. In principe zou alleen een biljet die regelmatig van vorm verandert nog goed zijn voor dit type.

Verder >

1. Inleiding

Geld is iets waar bijna iedereen in onze westerse samenleving mee… Lees meer »

2. Bankbiljetten

Geld heeft een lange en rijke geschiedenis. Het is iets wat Lees meer »

3.1 De guldenreeks van Oxenaar

Sinds 1814 is de Nederlandse Bank verantwoordelijk geweest Lees meer »

3.2 De ontwerpen van Oxenaar

Ootje Oxenaar heeft een serie van negen verschillende bankbiljetten Lees meer »

3.3 De guldenreeks van Drupsteen

Nadat de serie van Oxenaar in de roulatie was gebracht werd Oxenaar Lees meer »

3.4 De ontwerpen van Drupsteen

Centraal staat bij de serie van Drupsteen dat hij de technologie, Lees meer »

3.5 Filosofie over de gulden

De Duitse filosoof en socioloog Georg Simmel heeft een boek Lees meer »

3.6 Mediatheorie over de gulden

Er zijn veel theorieën over media maar, voor zover ik weet, Lees meer »

4. De euro

De Euro bestaat al sinds januari 1999. Tot 2002 was de euro nog Lees meer »

4.1 De euroreeks van Kalina

Voor het ontwerp van de euro werd een soort ontwerpwedstrijd Lees meer »